Wat ‘De Pest’ van Albert Camus ons kan leren over nu

De Franse schrijver en filosoof Albert Camus (1913-1960) publiceerde om middernacht van de vorige eeuw, in 1947, een indringende roman over een pestplaag in het plaatsje Oran in Tunesië. Dit is geen recensie van dat boek maar in het kort gaat het over een “met de rug naar de zee gebouwd” stadje dat als gevolg van maandenlange quarantaine door de plaag de inwoners met allerlei vormen van radeloosheid opzadelt. De beschrijvingen van de vernietigende ziekte (door de ogen van dokter Rieux), de hopeloosheid en de moeite die het kost om menselijk te blijven (“wat had medelijden nog voor zin”) trekken pagina na pagina zuchtend en kreunend als een oude kar voorbij. Rieux zegt:

“…Continu voortdurend geluid van voetstappen, dat langzaam maar zeker de hele stad vulde en in zijn eentonigheid avond aan avond de eigenlijke doffe stem vormde van de blinde volharding die op dat moment in ons binnenste de plaats van de liefde had ingenomen.”

De Pest gaat over iets veel dichter bij huis

Camus schreef het boek als allegorie voor het leven in het bezette Parijs van de Tweede Wereldoorlog. Niet als portret van de bezetters, maar als een handleiding voor slachtofferschap van het kwaad – het facisme in het bijzonder. De meeste dystopische boeken die werden geschreven in die tijd (waarvan Orwell’s Nineteen Eighty Four het meest bekend is) gingen over het doen en laten van een allesoverheersende autoritaire staat. ‘De Pest’ gaat over iets veel dichter bij huis, namelijk onze eigen rol in het beheersen of laten begaan van het kwaad. Hoe gedragen mensen zich collectief in een benarde situatie?

Nu las ik onlangs ergens dat Camus’ pest-van-onze-tijd het ‘materialistische kapitalisme’ is – waarna een korte gil uit mij ontsnapte. Wat een hoogmoed, wat een historische onnozelheid.  De persoon die dat schreef is al besmet, zou Camus hebben gezegd, zonder het te weten, die had “de redenen van de kleine pestlijders als geaccepteerd, waardoor je die van de grotere niet meer kunt verwerpen”, zoals de vriend van Rieux, Tarrou in het boek zegt. Tarrou is een journalist die toevallig op de verkeerde plek was toen de pest in Oran uitbrak.

‘Materialistisch kapitalisme’ als de hedendaagse pest

Mensen die soort uitlatingen doen over ‘materialistisch kapitalisme’, lopen in het gareel van andere gevaren, ze zijn al de eentonige voetstappen die de stad vullen – met hun blinde volharding. Zij hebben al vrede gesloten met het ontspoorde links-liberalisme, de postmoderne ziekte van de geest, dat alles als een excuus voor vernietiging en geweld gebruikt, cultuur-marxisme, of hoe je het ook wilt noemen. Datgene in ieder geval wat momenteel als een bacil alle rede en intellectuele argumenten aanvalt, via het onderwijs, de media, rechtspraak en politiek. Nota bene op een plek in de wereld, het westen, waar anderen vrijwillig naar toe willen komen.

‘De Pest’ is niet islam, niet radicalisme, Trump, Rusland en al helemaal geen kapitalisme, die stuk voor stuk hun eigen ziektes kennen, maar die we best kunnen hebben. Tenminste, als het niet was voor die nep-ideologische linkse werkelijke plaag die zich stort op onze gezondheid, logica, gedachten en vrijheid en zich rancuneus op al dat bruisende leven kan uitbreiden. De bron van de ziekte moet nog geanalyseerd worden, maar ziek zijn we. De ‘ziekte van het denken’ zoals journalist Douglas Murray het noemt in zijn boek ‘The Strange Death of Europe’.

En dan deze opvallende gelijkenis uit het boek van Camus: “Degenen die niet aangestoken waren wikkelden zich in de lakens van de pestlijders om zeker te zijn van hun dood”,  zegt de pater in het boek over een andere plaag die hij zich kon herinneren. “Dat al te verbeten zoeken naar het zielenheil is beslist niet aan te bevelen, er spreekt een betreurenswaardige haast uit, die aan hoogmoed grenst”. Wie Murray leest en vele andere kritische denkers van deze tijd begrijpt wat er bedoeld wordt. De triomfantelijkheid waarmee we grenzen openzetten, recht praten wat krom is en niet vechten tegen wat ons ziek maakt, is regelrecht weggelopen uit deze dystopische werkelijkheid van Albert Camus.

Keer op keer naar dezelfde theatervoorstelling

Nog een laatste gelijkenis: inwoners van Oran gaan in het boek vanwege de quarantaine keer op keer naar dezelfde theatervoorstelling (oftewel keken NPO, CNN en BBC, lazen Volkskrant, NRC en The New York Times – alsof ze niet naar buiten mogen) deden hun beklag slechts in cafés (“het is vreselijk, wat een ellende”) en liepen voor de rest “in het gareel”, aldus Camus. Ze hadden geen boodschap aan hoe erg het was, behalve om daaruit te kunnen afleiden wanneer het waarschijnlijk weer voorbij zou zijn. Ze bestudeerden daarom nauwgezet glazenbol-achtige statistieken (Leo Lucassen, Gerrit Hiemstra, en andere kwakzalvers), gebaseerd op oude pestplagen, wensdenken en werden verder onoplettend en fatalistisch. De belangrijkste zin uit het boek is misschien wel deze:

“Er komt altijd een moment in de geschiedenis waarop degene die durft te zeggen dat twee plus twee vier is met de dood wordt bestraft. (…) En de vraag is niet wat de beloning of straf is voor die gedachtengang, de vraag is of twee plus twee al dan niet vier is. De stadgenoten die toen hun leven op het spel zetten, moesten beslissen of er al dan niet pest heerste in de stad en of ze er al dan niet tegen moesten vechten.”

Uitkomen bij het getal vier kan je je baan kosten tegenwoordig, net als je vrienden en kennissen. Camus vond dat je door dit alles te begrijpen die hele ziekte voor kon zijn. “Ik probeer iedereen te begrijpen en niemands doodsvijand te zijn. Het enige wat ik weet is dat je de pest niet vanzelf kwijtraakt, alleen daarin ligt de hoop op vrede, of desnoods op een goede dood. Dat kan de mens verlichting schenken”, zegt Tarrou in het boek. Dat inzicht van Camus is van grote waarde voor ons nu.

Advertisements