De comeback van de Nederlander

Sietske Bergsma

8 juni 2026

Iedereen heeft het weleens meegemaakt in z’n leven: het moment dat je realiseert dat je je ergens niet meer onderuit lult. Als de feiten je hebben klemgezet en niet meer weg te redeneren zijn. Als je compleet hulpeloos tegenover de werkelijkheid staat die zich aan je opdringt.

Dat moment is een catastrofe en een kans ineen. Het betekent bijvoorbeeld dat je er alleen voor komt te staan na een scheiding, je bedrijf failliet gaat na jaren aanmodderen of erger: dat je lichamelijk aftakelt en alles op de helling staat. De kans is dat je nieuwe definities van geluk, succes en gezondheid kunt gaan maken. De feiten zijn er dan nog steeds, maar een andere blik erop is vaak de weg naar boven.

In de hele discussie die nu is losgebarsten over het Nederlanderschap —wie er nu wel bij horen en wie niet — moest ik denken aan zo’n als catastrofe verpakte kans. In het leven van onze natiestaat botsen we nu op zo’n moment waar we ons niet meer onderuit lullen. Niet met Maxima’s “de Nederlander bestaat niet”, niet met “iedereen moet zichzelf kunnen zijn”, en zeker niet met al die multiculti, keti-koti, anti-kolonialistische kunst en regenboogfamilies in elke tv-reclame.

Feit is dat de samenstelling van de Nederlandse bevolking in rap tempo aan het veranderen is door de massaimmigratie. De leiders, nota bene door ‘de Nederlanders’ gekozen, vragen zich af waarom we niet gewoon tevreden belastingbetalers blijven en onszelf verder opheffen. Of we die catastrofe even willen negeren of laten wegdebatteren, inclusief de woorden ‘omvolking’ en ‘remigratie’. Woorden die we dan gewoon verbieden, zodat het probleem via de schandpaal vanzelf verdwijnt. Maar dat kan niet meer.

De feiten hebben ons inmiddels allemaal klemgezet. Elke politicus die ik nu hoor tieren tegen Lidewij de Vos — en daarbij haar woorden uit verband trekt, elke journalist en opiniemaker die zichzelf een gat in de grond cirkelredeneert om ‘de Nederlander’ te definiëren als een veelvoud van verschillende identiteiten, of eenieder die angstvallig een oordeel wil vermijden omdat het ‘te ingewikkeld’ is, die is in essentie aan het scheiden, failliet aan het gaan en kreupel aan het raken van ontkenning.

Mona Keijzer is daar een goed voorbeeld van. Ze maakt ruzie met De Vos, om zich daarna terug te trekken in de warme niksigheid van politieke definities (“De Nederlander is iemand die staat voor de normen en waarden van de democratische rechtsstaat”) en dan met de Nederlandse vlag op de foto gaat. Niemand buitensluiten, doormodderen, alles in concepten als ‘tolerantie’en ‘vrijheid’ gieten en dan kijken wie er nog aan dat idee blijft plakken. We redeneren ons er wel uit.

Het is coping en gelul. Met een onhoudbaar immigratieprobleem en de onrust rond azc’s in een diep gepolariseerd land dat de schuld en de schaamte van de Tweede Wereldoorlog nog stééds niet te boven is gekomen, is de enige redding een confrontatie met de realiteit en een acceptatie van ons falen. De realiteit is dat de Nederlander wél bestaat. Die is terug te voeren op onze historie, taal, cultuur en voorouders. Deze identiteit laat zich alleen vormen door acceptatie dat we geen ander thuis hebben dan dit land en dat we geen progressief idee op papier meer willen zijn, maar echte mensen met heimwee.

De nieuwe definitie van de Nederlander moet de huidige veelheid aan definities vervangen — want die werken niet (meer). We hebben onszelf in deze catastrofale situatie gebracht. Je kunt niet iets verdedigen wat niet ‘van jou’ is, omdat alles dan desintegreert. De oude definities werkten slechts om de progressieve droomwereld in stand te houden, de Nederland BV, de ‘gezonde’ welvaart toen we ons nog luxe idealen konden veroorloven.

We moeten nu scheiden van dat idee en onze gezondheid op orde brengen. Dat is een kans voor een comeback van de Nederlander, die met een terugveroverd zelfvertrouwen ook de minderheden in eigen land een dienst bewijst. Dat is niet makkelijk, maar wel noodzakelijk.

(Deze column verscheen in de Andere Krant d.d. 6 juni 2026)