Frustraties bij slachtoffers in de rechtszaal: als hun rechten en gevoelens zo belangrijk waren had de staat ons tegen Gökmen T. beschermd

Die moeizame pogingen om dader tegenover slachtoffer te zetten in Nederlandse strafzittingen laten me elke keer weer een beetje wanhopen. Zoals we zagen bij de moordenaar van Anne Faber en andere emotioneel zware zaken, is er dan altijd de ‘spijt’-vraag. Of moet ik zeggen, de spijt-éis?

De ‘waarom’ vraag, de boze schreeuw van de reeds gestraften: nabestaanden en overlevers. Die begrijpelijkerwijs op iets willen stuiten wat rust geeft, liefst een besef bij de dader van wat er is aangericht. Zodat je niet voor niets met trillende handen van een blaadje staat voor te lezen. Zoals de vader van het 18-jarige meisje dat door Gökmen T. in een tram in Utrecht werd doodgeschoten. ‘Ja je lacht wel, maar lach liever maar als je in je graf ligt! (…) Ik hoop dat als je vrij komt dat Allah je alsnog pakt!’

Sympathiek dat hij zijn geloof in acht neemt, dacht ik nog even. Maar toen: Deze vader had nooit van zijn spreekrecht gebruik hoeven maken als psychiaters en justitie hun werk (eerder) juist hadden gedaan. Als psychopaten, terroristen en verkrachters tijdig juist gediagnosticeerd worden als pathologisch ‘hopeloos geval’ en levensgevaarlijk.

Verwaarlozing kerntaken

Daar gaat het niet meer over. Wel dat een moordenaar (verkrachter, etc.)  geconfronteerd moet kunnen worden met de gevolgen van zijn daden, en de rechter moet horen welke impact zoiets nou echt heeft. Misschien ontstaat er iets moois! Die gedachte is impliciet verwerkt in het wetboek van strafrecht, waarin slachtoffers ‘meer te zeggen kregen’ sinds een jaar of vijftien.

Maar wat een extra recht had moeten worden voor slachtoffers is, als ik het proces Gökmen T. zo zie, feitelijk niets meer dan een soort vergezicht-vergelding, een vervangende hoop dat je woorden ergens iets betekenen in het grote waarom. In een strafsysteem dat té vaak en met té ernstige gevolgen de kerntaak verwaarloosd en de slachtoffers het werk laat doen van de ordeherstellers. “Erg he, die vader?” klonk het op Twitter.

Ik wil dat Gökmen T. zijn straf erg vindt! ‘Ja maar het is toch goed dat die gevoelens getoond worden, ook bij het grote publiek?’ De regie over de emoties in de zaak, vinden we, moet bij slachtoffers liggen. Als de emoties werkelijk bij de slachtoffers lagen, dan namen deskundigen, rechters en andere instanties veel minder risico’s met de ’emoties’ van veelplegers en pathologische gevallen. Slachtoffers zijn zo dus nog net zo machteloos als vroeger, want ze kunnen instanties uiteindelijk nergens voor ter verantwoording roepen. Daarom houdt de strafrechtspleging misschien wel zo van ze.

Veel makkelijker dan misdaad handhaven, leren van fouten (zoals in de zaak van Michael P.) en eindelijk eens afrekenen met de hardnekkige (linkse) mythe dat iedereen goed geboren wordt en dáárom ook weer te fixen is, is natuurlijk de hele strafrechtspleging maar veranderen in een soort therapiesessie voor slachtoffers. Het draait om hun ja, maar pas op het aller, allerlaatst!

Pronken met begrip voor leed

Een potje uithuilen in de rechtbank kan de diepere rot niet verhullen. Want de waarheid is dat overheid, het Openbaar Ministerie in het bijzonder, niet meer echt in de plaats van het slachtoffer optreedt, behalve met het monopolie op geweld en vrijheidsberoving. Want oh wee als je het heft in eigen neemt!

We mogen alleen zeggen hoe erg het was, dan hoeven zij dat niet meer te doen (of voorkomen). Maar ik wil een rechterlijke macht die daders ook hard straft als slachtoffers géén (onverplichte) aangifte doen, huilen op zitting en met tien advocaten komen. Onze overheid externaliseert hun oordeel over het kwaad, door het naar achteren in de keten te schuiven, door te pronken met hun begrip voor het leed.

Ondertussen hebben ze geen idee waarmee ze te maken hebben lijkt het. Zeker sinds diezelfde rechterlijke macht ‘jihad-bruidjes’ terug wil halen naar Nederland, islamitische terreur ‘verwarring’ noemt maar drie woorden van Geert Wilders een aanslag op de democratie. Echte stoornissen en gevaren zijn voor rechters nog altijd exotische labels die met een beetje ‘nou, nou, nou’ en stageplek-pleisters moeten worden opgelapt. Verbazing dus dat Gökmen T. met minachting erbij zat en het “jammer” vond dat het slachtoffer dat in haar rug geschoten was naar haar zeggen “evengoed niet kapot te maken” was. 

Slachtoffers als trofeeën

De belangrijkste constatering moet zijn dat het Gökmen T. helemaal niet kan schelen (zie ook: reden waarom hij zijn daad pleegde) wat hij heeft gedaan. Een goed strafsysteem had dan ook op voorhand alarm geslagen, bijvoorbeeld toen hij was veroordeeld voor een verkrachting (van zijn ex-vriendin die ‘de duivel in zijn ogen had gezien’) waarna hij met een belofte van therapie naar huis mocht. Alsof een belofte iets betekent voor zo iemand. En nu verkneukelt of verveelt hij zich een weg door de verklaringen van de slachtoffers heen. Het zijn trofeeën voor hem.

Ik wanhoop elke keer weer een beetje als onze verhouding tot zulk kwaad met onze naïeve standaarden van fatsoen worden uitgelegd. Dat we denken dat als iemand heel ergs doet dat het besef érgens wel doordringt dat dat niet mag. En dat anders het systeem faalt. Maar het systeem faalt doordat er geen of te weinig bescherming is tegen gevaarlijke gekken die de goedgelovigheid uitbuiten. Een falen dat machteloze slachtoffers vervolgens op een podium van verdriet mogen komen toedekken.