Duitse Rechter: “Coronabeleid catastrofaal verkeerde politieke beslissing met dramatische gevolgen voor menselijk leven”

‘De vraag of de wetgever de uitbreiding van de lockdown als ‘noodzakelijk’ mocht zien om overbelasting van het gezondheidsstelsel te voorkomen, moet met duidelijke “nee” worden beantwoord’

Deze maand deed een rechtbank in Thüringen (Weimar) uitspraak na een overtreding van artikel 2 van een SARS-CoV-2 noodverordening, zoals die gold sinds 18 april 2020. De integrale (in het Nederlands vertaalde) uitspraak is onder deze korte uiteenzetting te vinden. Ook als download in pdf. 

Aanleiding voor de zaak betrof iemand die in april 2020 met zeven andere mensen (van zeven verschillende huishoudens) in de achtertuin van zijn huis in Weimar zijn verjaardag vierde. De onderhavige rechtbank sprak hem van de aanklacht niet alleen vrij, maar onderbouwde haar beslissing met een uitvoerige beoordeling van de maatregelen in brede zin. De rechtbank concentreert zich daarbij op de afstandsregels: “niemand in Duitsland kon zich in januari 2020 nog voorstellen dat de staat hen zou kunnen verbieden om hun ouders bij hen thuis uit te nodigen onder dreiging van een boete. Bijna niemand kon zich voorstellen dat drie vrienden niet samen een bankje in het park mochten zitten.”

Hiermee is deze uitspraak de eerste in Duitsland (en Europa?) die een inhoudelijk oordeel geeft over het beleid van de regering-Merkel in de Corona-crisis in relatie tot de gevolgen en de (on)grondwettelijkheid. In de beoordeling wordt uitgebreid verwezen naar de (door de overheid en instituten zelf aangeleverde) cijfers, statistieken en andere openbare bronnen. De grondslag waarop alle maatregelen werden genomen in het voorjaar van 2020 berustten toen al niet op een epidemie, schrijft de rechtbank na eerste uitgebreide beoordeling van die cijfers. Zo zouden de cijfers niet te stempel ‘pandemie’ of ‘epidemie’ rechtvaardigen gebaseerd op de door het Duitse RIVM (het Robert Koch Instituut) zelf gepubliceerde data. Eerder de stempel van een zware griep, staat er te lezen.

‘Verkeerde aannames over dodelijkheid van virus’

Van daaruit redeneert de rechtbank ronduit vernietigend over de huidige vrijheidsbeperkende maatregelen, die zij definiëren als “mensonwaardig”, “ineffectief” (t.a.v. het gestelde doel, “uit meerdere wetenschappelijke onderzoeken blijkt dat lockdowns niet leiden tot significante afname van aantal ziekten”) en “vele malen dodelijker” dan het virus zelf (ook dit onderbouwen ze). De uitspraak begint met een beoordeling van de omvang het probleem (voorjaar 2020), met gebruikmaking van de cijfers die nu (2021) bekend zijn:

Er stierven in de eerste helft van 2018 en 2017 meer mensen dan in de eerste helft van 2020, blijkt uit de cijfers. Er bestond ook op geen enkel moment een concreet risico dat het gezondheidssysteem overbelast zou worden met een “golf” van COVID-19-patiënten, staat er. In maart en april 2020 waren (op het hoogtepunt van de eerste ‘golf’) steeds ongeveer 40 procent van alle IC-bedden vrij (“dat is ook bevestigd door factureringsgegevens van 421 klinieken”). De rechtbank komt met deze feitelijke onderbouwing uit bij de conclusie dat “de horrorscenario’s die de beslissing over de lockdown in het voorjaar significant hebben beïnvloed waren gebaseerd op verkeerde aannames over de letaliteit van het virus.”

Je kunt je tijdens het lezen van het vonnis serieus afvragen waarom het in Nederland of in andere Europese landen niet anders zou zijn. Zijn in Nederland de aannames niet ook gebaseerd op voorspellingen en ‘horrorscenario’s’ die niet gedragen worden door feiten? Slechts op vage ‘besmettingscijfers’? (Ook daarmee rekent de rechtbank genadeloos af als grondslag).

Met de vaststelling dat de cijfers geen aanleiding geven tot de drastische maatregelen komt ze vervolgens toe aan het oordeel over de grondwettelijkheid van de maatregelen. Hierbij houden ze nog een slag om de arm, namelijk dat vergaande inbreuken best mogen in “een noodsituatie”, maar laat dat nou net nergens uit blijken. En “een algemeen contactverbod is een ernstige inbreuk op burgerrechten. (…) Met het contactverbod tast de staat de fundamenten van de samenleving aan, en hoeveel mensen een burger thuis uitnodigt mag haar niet interesseren.”

‘Burgers worden tot object gemaakt’

Kort samengevat staan de coronamaatregelen daarom niet in verhouding tot het beoogde doel, maken ze van burgers “een object”, leiden “zonder twijfel” tot veel meer doden door de maatregelen zelf, kostten ze een fortuin (alleen al ruim 1,2 biljoen euro aan uitkeringen en fiscale verliezen) en zijn “een catastrofale verkeerde politieke beslissing met dramatische gevolgen voor bijna alle aspecten van het menselijk leven”. Over die burger als ‘object’ heeft de rechtbank nog een heldere boodschap:

Als elke burger wordt gezien als een bedreiging waartegen anderen moeten worden beschermd, wordt hem ook de mogelijkheid ontnomen om te beslissen aan welke risico’s hij zichzelf blootstelt, wat een fundamentele vrijheid is. Of de burger nu ‘s avonds een café of een bar bezoekt en het risico van infectie met een respiratoir virus accepteert omwille van gezelligheid en levensvreugde, of dat ze voorzichtiger is omdat ze een verzwakt immuunsysteem heeft en daarom liever thuis blijft,  is onder een algemeen contactverbod niet meer te beslissen.

De vrije subject die de verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen gezondheid en die van zijn medemensen wordt hierbij geschorst. Alle burgers worden door de staat gezien als potentiële bronnen van gevaar voor anderen en dus als objecten die door staatsdwang moeten worden “op afstand” gehouden.

Een rechtbank ‘on fire’ kun je wel zeggen, die elke steen heeft willen omdraaien in deze uitspraak. En daarmee een belangrijk precedent schept voor andere rechters, ook in Nederland. Waar rechters tot nu toe ‘noodzakelijkheid’ niet eens meer durven toetsen en op magische wijze in de proportionaliteit van dit alles geloven, tegen beter weten in weten we nu. Wegkijken bij de rechterlijke macht is vanaf nu een keuze, geen ‘rechtspraak’.

Oordeel Amtsgericht Thüringen (Weimar) van 11.01.2021 –

6 OWi – 523 Js 202518/20 

https://openjur.de/u/2316798.html

Uitspraak:

Feiten

I.

Betrokkene verbleef op 24 april 2020 in de avonduren samen met minimaal zeven andere mensen in de achtertuin van het huis (…) in Weimar om de verjaardag van een van de betrokkenen te vieren. De acht betrokken personen waren verspreid over zeven verschillende huishoudens.

Deze bevindingen zijn gebaseerd op de geloofwaardige informatie die betrokkene tijdens de hoorzitting heeft verstrekt en het voorgelezen politierapport.

II.

Dit gedrag van de betrokkene was in strijd met de derde Thüringer verordening van 18 april 2020 inzake maatregelen die nodig zijn om de verspreiding van het SARS-CoV-2 coronavirus te beperken in de versie van 23 april 2020.

Deze normen waren als volgt.

– Verblijf in de openbare ruimte is alleen toegestaan, met leden van uw eigen huishouden en daarnaast maximaal met één andere persoon buiten het huishouden.

– Evenementen, vergaderingen, demonstraties, bijeenkomsten en andere bijeenkomsten met meer dan twee personen zijn verboden met uitzondering dat zij lid zijn van het eigen huishouden en dat er maximaal één persoon buiten het huishouden wordt toegevoegd.

Artikel 2 ThürSARS-CoV-2-Eind regelt uitzonderingen op het verbod. (…). Geen van deze uitzonderingen is hier relevant.

De onderhavige overtreding vormt een administratieve overtreding in overeenstemming met sectie 14 ThürSARS-CoV-2-MaßnVO (…).

De betrokkene werd niettemin om juridische redenen vrijgesproken, omdat artikel 2 (1) en artikel 3 (1) van de 3e ThürSARS-CoV-2-In-Measure-verordening ongrondwettelijk en daarom nietig zijn.

De rechtbank moest zelf beslissen over de grondwettigheid van de normen (…). Elke rechtbank moet voor zichzelf beslissen of het verenigbaar is met de grondwet.

III.

Paragraaf 2, paragraaf 1 en paragraaf 3, paragraaf 1 van de ThürSARS-CoV-2-MO zijn om formele redenen ongrondwettelijk, aangezien de voorschriften die de grondrechten diepgaand beïnvloeden niet onder de wettelijke autorisatiebasis in de Infectiebeschermingswet vallen.

1. Op grond van de Grondwet kan de uitvoerende macht bij wet worden gemachtigd om wettelijke instrumenten uit te vaardigen. Volgens de Grondwet moeten de inhoud, het doel en de omvang van de verleende toestemming in de wet worden bepaald. Het Federaal Grondwettelijk Hof heeft de resulterende vereisten voor een machtigingswet in permanente jurisprudentie met drie elkaar aanvullende concretiseringsformules uitgelegd:

  • de zogenaamde zelfbeslissingsformule (de wetgever moet zelf beslissen welke kwesties geregeld moeten worden door de wettelijke verordening, welke grenzen van normalisatie zijn vastgesteld en welk doel ze dienen te dienen);
  • de programmaformule (de wet moet kunnen bepalen welk wetgevingsprogramma volgens ordonnantie moet worden uitgevoerd; en de 
  • voorspelbaarheidsformule (de burgers moeten uit de machtigingswet kunnen afleiden in welke gevallen en met welke tendens de machtiging wordt gebruikt en welke inhoud de verordening zal hebben. 

Daarnaast heeft het de zogenaamde materialiteitsleer ontwikkeld over de vraag naar de mate van zekerheid van de autorisatie. Volgens de materialiteitsleer moet de wetgever alle essentiële beslissingen nemen op fundamentele normatieve gebieden, met name op het gebied van de uitoefening van grondrechten – voor zover deze overheidsregeling überhaupt toegankelijk is – en mag deze niet delegeren aan de uitvoerende macht. Hoe belangrijker wettelijke verordeningen of andere rechtshandelingen van de uitvoerende macht ingrijpen in de grondrechten, hoe preciezer en intensiever de bepalingen van de machtigingswet moeten zijn. Het Federale Constitutionele Hof beschouwt de vereisten van de Grondwet en de leer van de materialiteit als congruent. Als de vereisten van de materialiteitsleer niet worden vervuld door de machtigingswet met betrekking tot bepaalde normen van een verordening, leidt dit tot de ongrondwettigheid van de normen van de verordening.

De wettelijke basis voor het zogenaamde algemene contactverbod in kwestie is § 32 IfSG (…) in de versie van 27 maart 2020.

Artikel 28 (1) zinnen 1 en 2 IfSG e.v. in de versie van 27 maart 2020 luiden als volgt:

Als er zieke mensen, verdachten van ziekte, verdachten van van besmetting worden gevonden of als blijkt dat een overledene ziek was neemt de bevoegde autoriteit de nodige beschermende maatregelen, in het bijzonder die genoemd in die artikelen, voor zover en voor zolang het is noodzakelijk om de verspreiding van overdraagbare ziekten te voorkomen. In het bijzonder kan het mensen ertoe verplichten de plaats waar ze zich bevinden niet – of alleen onder bepaalde voorwaarden – te verlaten, of om door haar aangewezen plaatsen of openbare plaatsen niet of alleen onder bepaalde voorwaarden te betreden. Onder voorwaarden kan de bevoegde autoriteit evenementen of andere bijeenkomsten van mensen beperken of verbieden en badinrichtingen of gemeenschapsvoorzieningen zoals daar genoemd, of delen daarvan, sluiten.

Onder “bijeenkomsten van mensen” moet worden verstaan ​​een meerderheid van ten minste drie personen met familiaire of andere band, het verbod op bijeenkomst valt onder de formulering van § 28 IfSG, maar voor een verregaande maatregel zoals een algemeen contactverbod, is geen gerechtvaardigde basis die voldoet aan de vereisten van de materialiteitstheorie (zie hiervoor).

Een algemeen contactverbod stelt in ieder geval een ernstige inmenging in de algemene vrijheid van handelen volgens de Grondwet in, maar ook is sprake van ernstige schending van de Grondwet ten aanzien van vergadering , vrijheid van vereniging, religie, beroep en kunstvrijheid. Niet alleen omdat het alle burgers aanspreekt, maar ook ongeacht of ze ervan verdacht worden ziek of besmettelijk te zijn. Door alle burgers te verbieden samen te komen met meer dan één persoon buiten het huishouden, hoewel dit niet alleen voor de openbare ruimte is, maar ook van toepassing op het privé-gebied, worden de rechten van vrijheid in wezen aangetast. Het algemene contactverbod houdt onvermijdelijk verdere beperkingen van de grondrechten in. Het is dus niet meer dan logisch dat bij de toepassing van een algemeen contactverbod allerlei soorten, winkels, logiesverstrekkende bedrijven en restaurants ook kunnen worden gesloten of in ieder geval beperkt.

Als voorwaarde voor een algemeen contactverbod vóór de instelling van artikel 28a IfSG, bepaalde de wetgever alleen dat zieke mensen, verdachten, besmettingen enz. van een overdraagbare ziekte werden geïdentificeerd en dat de maatregel van een algemeen contactverbod alleen kan worden bepaald “voor zover en zolang het nodig is om de verspreiding van de ziekte te voorkomen”, waarbij dit laatste niet meer is dan een expliciete verwijzing naar het al van kracht zijnde evenredigheidsbeginsel is. Dit regelt alleen de absolute minimumvereisten. In deze vorm kan de wet alleen individuele maatregelen bevatten maar niet een algemeen contactverbod. Voor zover een algemeen contactverbod überhaupt grondwettelijk kan zijn (voor meer informatie hierover onder IV. En V.), zou in ieder geval een precieze regeling van de voorwaarden in de zin van een precieze specificatie van de noodzakelijke risicosituatie nodig zijn, maar ook aan de juridische kant zou meer specifieke regelgeving nodig zijn (…).

2. Inmiddels is er in de jurisprudentie en literatuur brede consensus dat § 28 IfSG niet voldoet aan de eisen van de materialiteitsdoctrine met betrekking tot de vergaande inbreuk op grondrechten waaronder een contactverbod via de verschillende coronareglementen van de staten. Inmiddels heeft de wetgever geprobeerd hierop in te spelen door artikel 28a IfSG in te voegen. Om een ​​anders onvermijdelijke verwerping van de verordeningen te voorkomen, is er in jurisprudentie echter vaak op gewezen dat in de context van onvoorziene ontwikkelingen om dwingende redenen van algemeen belang, onaanvaardbaar ernstige lacunes in de regelgeving bestaan voor een overgangsperiode op basis van algemene clausules die om deze op te vangen speciale regelgeving vereisen (…). Deze randvoorwaarden bestaan ​​omdat de coronapandemie zo’n ongekende gebeurtenis is dat niet van de wetgever kan worden verlangd dat hij vooraf de nodige regelgeving heeft getroffen. Er moet ook dringend actie worden ondernomen, waarvoor tijdelijk een beroep zou moeten worden gedaan op de algemene clausule inzake de bescherming van infecties om ernstige lacunes in de bescherming te dichten die niet langer gerechtvaardigd zouden zijn indien de tegengestelde constitutionele standpunten zouden worden afgewogen (…).

Naarmate de vrijheidsbeperkingen in de Corona-crisis langer duurden, kwam in de jurisprudentie steeds vaker de vraag aan de orde of de ‘overgangsperiode’ niet al was verstreken [cf. bijvoorbeeld beslissing van 29 oktober 2020-20 NE 20.2360 -, die veel ruimte aan deze vraag besteedt en deze al op een gegeven moment impliciet bevestigt: “In welke mate en voor welke periode bepalingen mogelijk nog steeds voldoende waren om het hoofd te bieden aan de gevaarlijke situatie die ontstond bij een voorheen ongekende pandemie … vereist op dit moment geen definitieve beslissing … “, en dan met het argument dat het Beierse staatsparlement nu een beroep heeft gedaan op de deelstaatregering en moest werken aan het creëren van specifieke autoriteitsnormen in de IfSG, om uiteindelijk de vraag weer in het ongewisse te brengen en de betwiste norm niet te verwerpen.

3. Het kan hier irrelevant zijn of de relativering van de geldigheid van de doctrine van materialiteit in overeenstemming moet worden gebracht met de jurisprudentie van het Federale Constitutionele Hof. In dit verband moet alleen worden opgemerkt dat de enige beslissing van het Federaal Constitutioneel Hof die in deze context wordt aangehaald, de beslissing van 8 november 2012 – 1 BvR 22 / 12 -, nauwelijks als bewijs kan worden aangehaald, aangezien in dit besluit alleen geen bezwaar werd gemaakt dat de lagere rechters de algemene politieclausule in procedures voor voorlopige rechtsbescherming gebruikten als voldoende rechtsgrondslag voor een maatregel waarvoor mogelijk een gedetailleerde machtigingsgrondslag nodig is had overwogen, werd het besluit over de vraag naar de rechtsgrondslag dus overgebracht naar het hoofdgeding. Dit besluit zegt niet dat juridische mazen in de wet onder bepaalde voorwaarden door de uitvoerende macht kunnen worden gedicht door de toepassing van algemene clausules en voor zover de vereisten van de materialiteitstheorie tijdelijk worden opgeschort.

Voor zover interventie-intensieve maatregelen, die op zichzelf een bijzondere regeling vergen, alleen onder toepassing van algemene clausules in de context van “onvoorziene ontwikkelingen” toelaatbaar zouden zijn, is in het onderhavige geval niet aan deze eis voldaan. Al in 2013 liet de Bondsdag een risicoanalyse opstellen in samenwerking met het Robert Koch Instituut over een pandemie veroorzaakt door een “Virus Modi-SARS”, waarin een scenario met 7,5 miljoen (!) Sterfgevallen in Duitsland over een periode van drie Jaren en anti-epidemische maatregelen werden besproken in een dergelijke pandemie (gedrukt document van de Bundestag 17/12051). De wetgever had dus de regelgeving van de Wet Infectiebescherming ten aanzien van een dergelijke gebeurtenis, die in ieder geval als “voorwaardelijk aannemelijk” werd geacht (kans op voorkomen klasse C), kunnen toetsen en eventueel aanpassen.

Bovendien – en dit argument is belangrijker – dat er op 18 april 2020, de dag van de inwerkingtreding van de 3e ThürSARS-CoV-2-meetverordening, noch in Duitsland als geheel, noch in Thüringen een epidemische situatie plaatsvond, met het oog op het nemen van drastische maatregelen door de uitvoerende macht met een beroep op de algemene clausule van de infectiebeschermingswet of de speciale machtigingen van § 28 Abs.1 S. 2 IfSG (die ook niet voldoen aan de vereisten van de materialiteitstheorie) en zouden leiden tot “niet langer gerechtvaardigde lacunes in de bescherming”. Er was geen “epidemische situatie van nationaal belang”, hoewel de Bondsdag dit met ingang van 28 maart 2020 heeft bepaald.

Deze beoordeling is uitsluitend gebaseerd op de gegevens die zijn gepubliceerd door het Robert Koch Instituut:

– De piek van nieuwe gevallen van COVID-19 (begin van de ziekte = begin van klinische symptomen) werd bereikt op 18 maart 2020. Dit is het resultaat van een grafiek die sinds 15 april 2020 dagelijks wordt gepubliceerd in de situatierapporten van het Robert Koch Instituut en die de ontwikkeling van nieuwe casussen in de loop van de tijd laat zien. Als je de gemiddelde incubatietijd van 5 dagen aftrekt volgens het Robert Koch Instituut, resulteert de dag van de piek van de nieuwe infecties op 13 maart 2020. Op het moment dat de lockdown op 22 maart 2020 begon, daalde het aantal nieuwe besmettingen al 10 dagen. De enige beperking die moet worden opgemerkt, is dat de bepaling van het Robert Koch Instituut over het beloop van nieuwe ziekten aan onzekerheid onderhevig is, aangezien het uitsluitend is gebaseerd op de gerapporteerde positieve tests (en ofwel het gerapporteerde begin van de ziekte of – indien niet bekend – het geschatte begin van de ziekte) en het aantal uitgevoerde tests was niet constant.

– Vóór de lockdown was er dan ook geen exponentiële toename van nieuwe besmettingen. Hoewel het aantal positieve tests toenam van 7.582 in de 11e kalenderweek (09-15 maart) tot 23.820 in de 12e kalenderweek (16-22 maart) en dus met 214%, was deze stijging voornamelijk te wijten aan een toename vanTestaantallen van 127.457 (11e week) toe te schrijven door 173% tot 348.619 (12e week) (managementrapport van 15 april 2020, tabel 4, p.8). Het aandeel positieve tests in het totale aantal tests (het zogenaamde positieve percentage) steeg slechts van 5,9% naar 6,8%, wat overeenkomt met een stijging van slechts 15%.

– Zoals blijkt uit het Epidemiologisch Bulletin 17/2020 van het Robert Koch Instituut, gepubliceerd op 15 april 2020, viel het effectieve reproductiegetal R volgens de berekeningen van de RKI op 21 maart 2020 al onder de waarde 1 en bleef toen op ongeveer 1 met kleinere fluctuaties. Omdat volgens de toelichtingen van het Robert Koch Instituut het reproductienummer op een bepaalde dag de nieuwe besmettingen in de periode van 13 tot 8 dagen voor deze dag meldde, moet deze vertraging in mindering worden gebracht, zodat nadien de R-waarde (met een correctie van 10 dagen) op 11 maart al onder de 1 lag, wat overeenkomt met de bovenstaande bevinding ter hoogte van de nieuwe besmettingen. De noodzakelijkheid van de lockdown is niet wetenschappelijk bewezen.

Aangezien het aantal nieuwe infecties sinds half maart daalt, is het niet verwonderlijk dat er in het voorjaar van 2020 op geen enkel moment een concreet risico bestond om het gezondheidssysteem te overbelasten met een “golf” van COVID-19-patiënten. Zoals blijkt uit het DIVI-register voor intensieve zorgen, dat nieuw werd opgericht op 17 maart 2020, was in maart en april minstens 40% van de intensive care-bedden in Duitsland continu vrij. In Thüringen waren 378 intensive care-bedden bezet op 3 april 2020, waarvan 36 met COVID-19-patiënten. Er waren 417 (!) beschikbare bedden. Op 16 april 2020, twee dagen voordat de verordening werd uitgevaardigd, waren 501 intensive care-bedden bezet, waarvan 56 met COVID-19-patiënten. Aan de andere kant waren er 528 (!) beschikbare bedden. Het maximale aantal gerapporteerde COVID-19-patiënten in Thüringen in het voorjaar was 63 (28 april), het aantal COVID-19-patiënten is nooit binnen een marge geweest waarin een overbelasting van het gezondheidssysteem gevreesd zou zijn.

– Deze beoordeling van de werkelijke gevaren van COVID-19 in het voorjaar van 2020 wordt bevestigd door een evaluatie van factureringsgegevens van 421 klinieken van het Quality Medicine Initiative, die tot de conclusie kwam dat het aantal SARI-gevallen (SARI = ernstige acute luchtweginfectie) behandeld in Duitsland in de eerste helft van 2020 met een totaal van 187.174 gevallen, zelfs lager dan in de eerste helft van 2019 (221.841 gevallen), hoewel dit ook COVID-gerelateerde SARI-zaken omvatte. Volgens deze analyse was het aantal intensive care- en beademingsgevallen ook in de eerste helft van 2020 lager dan in 2019.

– De sterftecijfers ondersteunen deze bevinding ook. Volgens een speciale evaluatie door het federale bureau voor de statistiek stierven 484.429 mensen in Duitsland in de eerste helft van 2020. In de eerste helft van 2019 waren er 479.415, 2018 501.391, 2017 488.147 en 2016 461.055 mensen. In zowel 2017 als 2018 waren er meer sterfgevallen in de eerste helft van het jaar dan in 2020.

De horrorscenario’s die de beslissing over de lockdown in het voorjaar significant hebben beïnvloed (meer hierover onder V.1.), Waren ook gebaseerd op verkeerde aannames over de letaliteit van het virus (zogenaamd infectiedeficiëntie = IFR) en de vraag naar een bestaande of ontbrekende basisimmuniteit tegen het virus bij de bevolking. De besmettelijkheid werd daarentegen niet vanaf het begin als dramatisch hoger ingeschat dan die van een griepvirus. Volgens een metastudie van de medische wetenschapper en statisticus John Ioannidis, een van de meest geciteerde wetenschappers ter wereld, gepubliceerd in een WHO-bulletin in oktober, is de mediane sterfte 0,27%, gecorrigeerd 0,23% en dus niet hoger dan die van gematigde Influenza-epidemieën. De gemiddelde leeftijd van degenen die stierven aan of met SARS-CoV-2 in Duitsland is 84 jaar (zie RKI situatierapport van 5 januari 2021, p. 8). En in tegenstelling tot de oorspronkelijke aannames, die uitgingen van een gebrek aan immuniteit tegen het ‘nieuwe’ virus, waardoor 60-70% van de bevolking geïnfecteerd zou moeten zijn om groepsimmuniteit te bereiken, is tot 50% van de bevolking niet aan SARS-CoV-2 blootgesteld, en bestaat een basisimmuniteit door kruisreactieve T-cellen die zijn ontstaan ​​door infecties met eerdere coronavirussen (…).

Aangezien er immers geen situatie was die zou hebben geleid tot ‘onaanvaardbare lacunes in de bescherming’ zonder drastische maatregelen, is de 3e ThürSARS-CoV-2-meetverordening – ook als men de juridische mening volgt dat in een dergelijke situatie het gebruik van algemene clausules  – ongrondwettelijk vanwege een schending van de vereisten van de materialiteitstheorie.

IV.

Het algemene contactverbod of het verbod op bijeenkomst in overeenstemming met de 3e ThürSARS-CoV-2-meetverordening is ongrondwettelijk om materiële redenen, omdat die de menselijke waardigheid beschermen, die als onschendbaar wordt gegarandeerd in artikel 1, lid 1, van de  Grondwet.

Onschendbaarheid van de menselijke waardigheid betekent dat een schending van de menselijke waardigheid niet kan worden gerechtvaardigd met andere fundamentele waarden van de Grondwet; de aanspraak op menselijke waardigheid is categorisch. Dit betekent echter niet dat de inhoud van deze aanspraak, die te danken is aan de waardigheid van het individu, onafhankelijk van de specifieke situatie kan worden bepaald. Met name aandacht voor de waardigheid en het leven van anderen vormt de inhoud van de claim op menselijke waardigheid. Bij fysieke dwang of vrijheidsbeneming in bepaalde situaties wordt de menselijke waardigheid van de betrokken persoon geschonden, maar niet in andere. In de woorden van het Federale Constitutionele Hof: “Wat het principe van de onschendbaarheid van de menselijke waardigheid betreft, hangt alles af van de definitie van de omstandigheden waaronder deze kan worden geschonden. Dit kan niet in het algemeen worden gezegd, maar alleen met betrekking tot het specifieke geval.” Het staat buiten kijf dat er individuele handelingen zijn die een schending van de waardigheid betekenen, ongeacht het doel (finaliteit) dat ermee wordt nagestreefd. Deze omvatten marteling, genocide en massale verplaatsing. Bovendien zijn er bepaalde handelingen die alleen vanwege hun finaliteit de waardigheid schaden, een voorbeeld hiervan is rassendiscriminatie. Afgezien van deze gevallen hangt het echter altijd af van een algehele evaluatie. Hiervoor wordt in de jurisprudentie vaak de zogenaamde objectformule gebruikt, volgens welke de menselijke waardigheid wordt aangetast wanneer de concrete persoon wordt gedegradeerd tot louter een object. Deze formule kan slechts in beperkte mate worden geoperationaliseerd voor zover ze niet vrij is van tautologische elementen. Het kan daarom alleen de manier aangeven waarop gevallen van schending van de menselijke waardigheid kunnen worden gevonden. In deze zin de (juridische) weg wijzen, lijkt een benadering te zijn die het principe van menselijke waardigheid begrijpt als bescherming tegen taboe-overtredingen.

Met betrekking tot de onderhavige zaak zijn de volgende overwegingen van belang: Een algemeen contactverbod is een ernstige inmenging in burgerrechten. Het is een van de fundamentele vrijheden van mensen in een vrije samenleving dat ze zelf kunnen bepalen met welke mensen (mits ze dat willen) en onder welke omstandigheden ze in contact komen. De vrije ontmoeting van mensen met elkaar voor de meest uiteenlopende doeleinden is tegelijkertijd de elementaire basis van de samenleving. In principe dient de staat af te zien van gerichte regulerende en restrictieve ingrepen. De vraag hoeveel mensen een burger bij hem thuis uitnodigt of hoeveel mensen een burger op openbare plaatsen ontmoet om te wandelen, sporten, winkelen of op een bank in het park te zitten, interesseert de staat niet (mag de staat niet interesseren, SB).

Met het contactverbod tast de staat – zij het met goede bedoelingen – de fundamenten van de samenleving aan door fysieke afstand tussen burgers af te dwingen (“social distancing”). Bijna niemand in Duitsland kon zich in januari 2020 nog voorstellen dat de staat hen zou kunnen verbieden om hun ouders bij hen thuis uit te nodigen onder dreiging van een boete, tenzij de andere leden van hun familie het huis verlieten terwijl ze daar waren. Bijna niemand kon zich voorstellen dat drie vrienden niet samen op een bankje in het park mochten zitten. De staat is nooit eerder op het idee gekomen om dergelijke maatregelen te nemen om een ​​epidemie te bestrijden. Zelfs in de risicoanalyse “Pandemic by Virus Modi-SARS”, die een scenario beschrijft met 7,5 miljoen doden, is een algemeen contactverbod (evenals avondklok en de uitgebreide sluiting van het openbare leven) niet overwogen. Als anti-epidemische maatregelen worden naast quarantaine van contactpersonen van besmette mensen en isolatie van besmette mensen alleen schoolsluitingen, het afgelasten van grote evenementen en hygiëneadviezen genoemd.

Hoewel het lijkt alsof er tijdens de maanden van de Corona-crisis een waardenverschuiving heeft plaatsgevonden, met als gevolg dat processen die voorheen als absoluut uitzonderlijk werden beschouwd door veel mensen nu als min of meer ‘normaal’ worden ervaren, wat uiteraard ook de visie op de Grondwet wijzigt, maar mag er na wat er is gezegd geen twijfel over bestaan ​​dat met een algemeen contactverbod de democratische rechtsstaat een taboe schendt dat tot nu toe als vanzelfsprekend werd beschouwd.

Daarnaast, en als apart aspect, moet worden opgemerkt dat de staat, met het algemene contactverbod voor infectiebescherming, elke burger behandelt als een potentiële bedreiging voor de gezondheid van derden. Als elke burger wordt gezien als een bedreiging waartegen anderen moeten worden beschermd, wordt hem ook de mogelijkheid ontnomen om te beslissen aan welke risico’s hij zichzelf blootstelt, wat een fundamentele vrijheid is. Of de burger nu ‘s avonds een café of een bar bezoekt en het risico van infectie met een respiratoir virus accepteert omwille van gezelligheid en levensvreugde, of dat ze voorzichtiger is omdat ze een verzwakt immuunsysteem heeft en daarom liever thuis blijft,  is onder een algemeen contactverbod niet meer te beslissen. De vrije subject die de verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen gezondheid en die van zijn medemensen wordt hierbij geschorst. Alle burgers worden door de staat gezien als potentiële bronnen van gevaar voor anderen en dus als objecten die door staatsdwang moeten worden “op afstand” gehouden.

Met de vaststelling dat het algemene contactverbod in strijd is met een taboe en de burger als object wordt behandeld, is nog niet beslist of dit de menselijke waardigheid schendt. In het kader van de algemene beoordeling is de vraag die moet worden beantwoord of er fundamenteel denkbare omstandigheden zijn waaronder een algemeen contactverbod toch als verenigbaar met de menselijke waardigheid kan worden beschouwd. Aangezien een taboe-schending op het gebied van optreden van de staat die grondrechten schendt, op zijn best aanvaardbaar lijkt om een ​​zeer uitzonderlijke noodsituatie te voorkomen, zou dit alleen aanvaardbaar zijn in het geval van een algemene noodsituatie op het gebied van de gezondheid – een dreigende ineenstorting van het gezondheidssysteem door overbelasting of de dreiging van sterfgevallen in geheel andere dimensies dan die welke regelmatig voorkomen. Alleen als een substantiële bijdrage aan het afwenden of beperken van de noodtoestand verwacht kan worden zijn taboe-schendende schending van grondrechten gerechtvaardigd. Geen van beide was het geval. Het is al aangetoond dat er in het voorjaar in Duitsland geen algemene noodsituatie op gezondheidsgebied was. Dat een algemeen contactverbod naar verwachting geen substantiële bijdrage levert aan het positief beïnvloeden van een epidemie wordt nader toegelicht onder V.

Onder de feitelijke omstandigheden schendt de staat dan het recht van de burger op respect, dat wordt gekenmerkt door menselijke waardigheid, met een algemeen contactverbod.

V.

Voor zover de opvatting dat de betreffende normen de menselijke waardigheid schenden niet wordt gevolgd, voldoen de normen in ieder geval niet aan het vereiste van proportionaliteit.

Het algemene contactverbod en het verbod op bijeenkomsten maken inbreuk op de algemene bekwaamheid om te handelen in overeenstemming met artikel 2, lid 1 van de Grondwet en de bijzondere grondrechten. Het onderzoek kan hier worden beperkt tot de vraag naar de evenredigheid van de inmenging in de algemene handelingsvrijheid, want als de evenredigheid van deze inmenging wordt ontkend, is de inmenging in de bijzondere grondrechten (voor zover de inmenging niet verder gaat dan de regelgevende inhoud van het contactverbod) onevenredig.

1. Proportionaliteit veronderstelt dat een aantasting van de grondrechten een legitiem doel nastreeft, dat de aantasting geschikt is om het bereiken van het doel te bevorderen, dat de aantasting noodzakelijk is omdat er niet minder milde middelen zijn die even geschikt en uiteindelijk ook passend zijn , dat wil zeggen is proportioneel in strikte zin.

Aanvankelijk was het enige doel van de lockdown om te voorkomen dat het gezondheidssysteem overbelast zou raken. In de lockdown-resolutie van 22 maart 2020 hebben de bondskanselier en de premiers van de federale staten het doel gesteld: “We moeten er alles aan doen om een ​​ongecontroleerde toename van het aantal gevallen te voorkomen en ons gezondheidssysteem efficiënt te houden. Het verminderen van contacten is hiervoor cruciaal. Om te voorkomen dat het gezondheidssysteem overbelast raakt door een ongecontroleerde toename van het aantal patiënten, moet de toename van nieuwe infecties worden afgeremd om het verwachte aantal intensive care-patiënten over een langere periode te spreiden (“flatten the curve”). Dit is ook het hoofddoel van de Thüringer deelstaatregering geweest sinds de Thüringer Corona-inperkingsverordening werd aangenomen op 24 maart 2020 en ook de 3e ThürSARS-CoV-2 Enimment-verordening van 18 april 2020, die de bondskanselier opnieuw adviseerde op15 april 2020, toen werd besloten de lockdown te verlengen. Omdat de verspreiding van het virus als onvermijdelijk werd gezien, was het aanvankelijke doel niet om het aantal besmettingen zo laag mogelijk te houden. Pas nadat duidelijk werd dat er geen sprake zou zijn van overbelasting van het gezondheidssysteem, werd het loutere minimaliseren van het aantal besmettingen steeds vaker als doel van de maatregelen genoemd.

Om de achtergrond van het lockdown-besluit te begrijpen, is een strategiedocument dat in maart is geschreven door het federale ministerie van Binnenlandse Zaken met de titel “Hoe we COVID-19 onder controle krijgen” belangrijk (het geclassificeerde document is nu openbaar beschikbaar op de website van het federale ministerie van Binnenlandse Zaken. In deze nota werden in het ergste geval alleen al in Duitsland eind mei 2020 meer dan een miljoen doden voorspeld. In dit scenario zou de behoefte aan intensive care-bedden op 9 april 2020 voor het eerst groter moeten zijn dan het aantal beschikbare bedden. De pandemie werd beschreven als de ‘grootste uitdaging sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog’ – dit zijn precies de woorden die de bondskanselier gebruikte in haar televisietoespraak op 18 maart 2020, wat suggereert dat de voorspellingen uit de strategienota een doorslaggevende rol speelden bij het besluit over de lockdown. In maart waren er echter tegenstrijdige uitspraken van gerenommeerde wetenschappers zoals John Ioannidis, die er in een artikel van 17 maart 2020 op wezen dat de tot nu toe beschikbare gegevens dergelijke scenario’s niet konden ondersteunen.

Beide doelen – het voorkomen van overbelasting van het gezondheidssysteem en het minimaliseren van infecties – zijn in wezen legitieme doelen van de wetgever, maar de evenredigheidstoets moet voor elk doel afzonderlijk worden uitgevoerd. Een beschouwing van het algemene contactverbod dat hier los van de andere lockdown-maatregelen moet worden beoordeeld, is nauwelijks mogelijk, maar ook niet noodzakelijk, aangezien het verminderen van contacten de basislogica van lockdown vertegenwoordigt. Een algemeen contactverbod zal onvermijdelijk gepaard gaan met verdere maatregelen zoals het sluiten van voorzieningen, aangezien een algemeen contactverbod in openbare en privéruimten met gelijktijdige onbeperkte ontmoetingsmogelijkheden in de bioscoop, theater, concert, in sportfaciliteiten, in restaurants enz. Ertoe leidt dat dezer grotendeels leeg komen te staan.

2.Aangezien het voldoende wordt geacht voor de geschiktheid van een maatregel in de context van de evenredigheidstoets als dat het bereiken van doelen op enigerlei wijze bevordert, kan het algemene contactverbod als passend worden beschouwd met betrekking tot beide doelen, aangezien het onmiskenbaar is dat het verminderen van contacten in feite infecties vermindert kan bijdragen. (De vraag naar de effectiviteit van lockdowns is nog niet beslist.)

3. Om overbelasting van het gezondheidssysteem te voorkomen, werd ten tijde van de inwerkingtreding van de 3e ThürSARS-CoV-2-meetverordening, zoals reeds onder III. 3. aangetoond dat het opleggen van een algemeen contactverbod en andere lockdown-maatregelen niet nodig is.

Aangezien de wetgever echter een beoordelingsmarge moet krijgen, rijst de vraag of de deelstaatregering ten tijde van de beoordeling van het decreet tot een andere beoordeling van de situatie komt dan hier, en de volgordelijkheid van een contactverbod (en andere maatregelen) om overbelasting van het gezondheidssysteem te voorkomen nodig zou kunnen achten. Daarnaast dient te worden opgemerkt dat van de wetgever moet worden verwacht dat hij bij de voorbereiding van zijn beslissingen gebruik maakt van de hem ter beschikking staande kennisbronnen die hij kan beoordelen en de opgedane kennis meeneemt in het besluitvormingsproces. De reikwijdte van de beoordeling betekent niet dat de wetgever bij tegenstrijdige opvattingen en evaluaties de mogelijkheid zou hebben om “één kant te kiezen” zonder zijn eigen kennis uit te putten. Het betekent ook niet dat hij, gelet op het feit dat het Robert Koch Instituut een centrale positie heeft gekregen van de federale wetgever in overeenstemming met Sectie 4 IfSG bij de beoordeling van het voorkomen van infecties, hij zich kan terugtrekken uit de samenvattende risicobeoordeling in de dagelijkse situatierapporten en uitsluitend vanwege een risicobeoordeling voor de gezondheid van de bevolking als “hoog” of “zeer hoog” drastische maatregelen gerechtvaardigd moeten zijn. De wetgever draagt ​​de volledige verantwoordelijkheid voor de grondwettigheid van de verordening die hij heeft uitgevaardigd en kan een deel ervan niet delegeren aan het Robert Koch Instituut. Om deze verantwoordelijkheid waar te maken, moet hij – indien nodig uiteraard met behulp van vakkennis en advies – zijn eigen expertise verwerven, wat in casu betekent dat hij bekend is met de gegevens die door het Robert Koch Instituut worden verstrekt en met gegevens van anderen die voor hem toegankelijk zijn. Alle bronnen dienen te worden betrokken.

Rekening houdend met deze vereisten, moet de vraag of de wetgever de uitbreiding van de lockdown als noodzakelijk mocht beschouwen om overbelasting van het gezondheidsstelsel te voorkomen, met een duidelijk “nee” worden beantwoord. De gegevens uit het register van de intensive care waren beschikbaar voor de staat. De grafiek over het beloop van de nieuwe ziekten werd voor het eerst gepubliceerd in het situatierapport van 15 april 2020 en kon daarom door de toezichthouder in aanmerking worden genomen. Daarvoor had het Robert Koch Instituut al weken een grafiek gepubliceerd over het beloop van nieuwe gevallen, die minder nauwkeurig was omdat het het begin van de ziekte niet inschatte in gevallen waarin het begin van de ziekte niet bekend was, maar in plaats daarvan de meldingsdatum gebruikte. Maar deze grafiek toonde ook aan dat de piek van nieuwe gevallen al half maart was bereikt. De afbeelding die op 15 april 2020 werd gepubliceerd, was dus geenszins een verrassing, maar kwam eerder overeen met wat er al was  en is al geruime tijd gepubliceerd in de situatierapporten over het verloop van de nieuwe zaken. De toezichthouder kon dan weten dat het aantal nieuwe besmettingen in Duitsland sinds half maart aan het afnemen was. Daarna was er voor hem geen reden om aan te nemen dat er nog steeds een golf COVID-19-patiënten naar de Thüringer klinieken kon komen. Hiervoor had een trendbreuk moeten zijn, waarvoor geen enkel bewijs was.

De toezichthouder kon uit de gegevens van het Robert Koch Institute ook opmaken dat er geen bewijs was van de effectiviteit van de lockdown waartoe op 22 maart werd besloten, zodat als de lockdown werd opgeheven, een nieuwe toename van het aantal infecties niet te verwachten was.  Ten slotte was het voor de wetgever ook direct duidelijk dat zelfs bij een hernieuwde toename van nieuwe infecties – in tegenstelling tot de verwachtingen die voortvloeien uit het vorige verloop van de epidemie – door het enorme aantal vrije bedden (528 vrije intensive care-bedden bij 56 COVID-19-patiënten op 16 april) er nog voldoende tijd zou zijn om op de gewijzigde situatie te reageren. Zelfs als er ondanks de duidelijke gegevenssituatie nog steeds een gebrek aan vertrouwen was in de stabiliteit van de ontwikkeling, was er geen reden om de lockdown uit voorzorg uit te breiden. En last but not least had het de deelstaatregering stof tot nadenken moeten geven en het vertrouwen moeten versterken in zijn eigen beoordeling van de situatie dat horrorscenario’s, zoals die uit het strategiedocument van het federale ministerie van Binnenlandse Zaken uit maart 2020, duidelijk sciencefiction waren gebleken.

4. a. Om de proportionaliteit in engere zin te beschouwen, moeten de baten van de maatregelen en de kosten, die zijn samengesteld uit de vrijheidsbeperkingen en de bijbehorende schade en gevolgkosten, tegen elkaar worden afgewogen. Hiervoor moeten de voor- en nadelen worden beschreven, gewogen en geëvalueerd.

b. Het voordeel van de lockdown zou het aantal te vermijden COVID-19-sterfgevallen en ernstige ziekten zijn, waarbij, nauwkeurig geformuleerd, de vraag moet worden gesteld met betrekking tot het voordeel dat de wetgever ten tijde van het decreet van 18 april 2020 gerechtvaardigd mocht verwachten, rekening houdend met de omvang van de beoordeling. Er moet nogmaals op worden gewezen dat de toezichthouder moest weten dat het aantal nieuwe besmettingen sinds half maart daalt, dat het effectieve aantal reproducties rond de 1 schommelt sinds de start van de lockdown op 23 maart 2020 en een positief effect dat al drie en een halve week heeft geduurd. Effect van lockdowns waren niet waar te nemen. Ook de grafiek met betrekking tot het verloop van de nieuwe gevallen vertoonde een vrijwel uniform dalende curve zonder waarneembare gradatie, zodat ook daarop geen effect van de lockdown te zien was. De gegevens van het Robert Koch Institute gaven geen indicatie dat het aantal nieuwe gevallen significant zou kunnen worden beïnvloed door de verlenging van de lockdown met de verordening van 18 april 2020. De wetgever zou daarom een ​​zeer lichte daling van het aantal nieuwe gevallen (en dus doden) kunnen verwachten. In feite vertoonde de update van de curve van nieuwe gevallen in de dagelijkse situatierapporten geen herkenbaar effect van de uitbreiding van de lockdown, zelfs niet na 18 april 2020.

Het feit dat de lockdown sinds 23 maart geen meetbaar effect heeft gehad, is niet verrassend, aangezien de WHO dat al toegaf in een metastudie naar de effectiviteit van zogenaamde niet-farmaceutische interventies (NPI) bij griepepidemieën die in oktober 2019 werd gepubliceerd. Het resultaat was dat er weinig of geen bewijs was voor de effectiviteit van alle onderzochte maatregelen (sluiting van werkplekken, quarantaine, sociale afstand nemen, enz.). De rechtbank weet niet of deze studie werd opgemerkt door de federale overheid of de deelstaatregering voorafgaand aan de beslissing over de lockdown, maar gezien de ernst van de gevolgen van de beslissing kan worden verwacht dat de beschikbare wetenschappelijke kennis over lockdowns of NPI’s zal worden geëvalueerd.

Inmiddels zijn er meerdere wetenschappelijke onderzoeken die tot de conclusie komen dat de lockdowns die in verschillende landen tijdens de coronapandemie zijn opgelegd niet gepaard gingen met een significante afname van het aantal ziekten en sterfgevallen. Een observationele studie gepubliceerd in augustus in het tijdschrift EClinicalMedicine waarin de 50 landen met onderzocht de meeste van de geregistreerde gevallen van COVID-19 per 1 april 2020 en gegevens uit openbaar beschikbare cijfers voor de periode 1 april 2020, kwam tot de conclusie dat de factoren die het sterkst correleren met het aantal COVID-19-sterfgevallen in een land, het percentage obesitas, de gemiddelde leeftijd van de bevolking en de omvang van de inkomenskloof zijn. Aan de andere kant kon er geen verband worden vastgesteld tussen de ernst en duur van lockdowns en het aantal COVID-19-sterfgevallen, tussen grenssluitingen en COVID-19-sterfgevallen en tussen uitgevoerde massatests en COVID-19-sterfgevallen, wat betekent dat er geen of in ieder geval een zwakke causaliteit is. Deze resultaten werden ondersteund door een studie die in november werd gepubliceerd waarin de invloed van verschillende factoren op het aantal COVID-19-sterfgevallen werd onderzocht voor 160 landen, en meest recentelijk werd bevestigd door een studie van Bendavid / Ioannidis (Bendavid / Ioannidis, Assessing verplicht thuisblijven en bedrijfssluitingseffecten op de verspreiding van COVID-19; verwijzingen naar verdere studies bij Kuhbandner, waarom de effectiviteit van de lockdown niet wetenschappelijk is bewezen).

De lockdown, die aanvankelijk slechts voor een maand werd besteld (“breakwater lockdown”) en nu twee keer is verlengd, levert klaarblijkelijk opnieuw het bewijs dat lockdowns het infectieproces en vooral het aantal dodelijke gevallen niet significant beïnvloeden. Volgens het huidige proefschrift van de Schrappe-groep van auteurs is het lockdown-beleid speciaal voor de kwetsbare groepen , waarvoor COVID-19 het grootste gevaar vormt, maar heeft het verder geen effect. Het reeds genoemde CoDAG-rapport nr. 4 van het Instituut voor Statistiek aan de LMU München komt tot dezelfde conclusie.

c. Met betrekking tot de kosten van de lockdown dient allereerst nogmaals te worden opgemerkt dat de vrijheidsbeperkingen die met de lockdown gepaard gingen, de meest omvattende en verstrekkende beperkingen van de grondrechten in de geschiedenis van de Bondsrepubliek waren. Hieruit blijkt al dat de vrijheidsbeperkingen zo belangrijk zijn dat ze op zijn best gerechtvaardigd kunnen worden door te stellen dat het gevaar dat ze werden bestreden buitengewoon groot was en de lockdown-maatregelen noodzakelijk waren. Tegelijkertijd was een groot positief effect te verwachten, maar dat was na wat gezegd is niet het geval.

Naast het directe effect van de vrijheidsbeperkingen is er ook sprake van nevenschade en gevolgschade. Deze kunnen als volgt worden onderscheiden:

aa) Economisch te beoordelen schade

(1) Winstderving / verlies van bedrijven / ambachtslieden / freelancers die de directe gevolgen zijn van de aan hen gerichte vrijheidsbeperkingen

(2) Winstderving / verlies van bedrijven / ambachtslieden / freelancers die indirecte gevolgen zijn van de lockdown-maatregelen (bijv. Winstderving van leveranciers van direct getroffen bedrijven; winstderving als gevolg van het onderbreken van toeleveringsketens en, bijvoorbeeld, leiden tot productiestilstanden; Reisbeperkingen resulteerden)

(3) Verlies van lonen en salarissen als gevolg van werktijdverkorting of werkloosheid

(4) Faillissementen / vernietiging van het bestaan

(5) Vervolgkosten van faillissementen / vernietiging van bestaansmiddelen

Hierover met Murswiek: “De meeste van deze schade is redelijk nauwkeurig vast te stellen. Al met al is die zeker gigantisch. Je kunt een idee krijgen van hun omvang als je kijkt naar de bedragen die de staat in aanschouw neemt. Corona-steun voedt de economische cyclus. Het “Corona-beschermingsschild” waartoe de federale regering heeft besloten, omvat 353,3 miljard EUR aan subsidies en nog eens 819,7 miljard EUR aan garanties, d.w.z. in totaal meer dan 1 biljoen EUR. De federale overheid zegt dat het het grootste hulppakket in de geschiedenis van Duitsland zal zijn. Daarnaast komt er steun van de deelstaten. Aangezien de staatssteun grotendeels bestaat uit leningen of leninggaranties, worden deze niet noodzakelijk gecompenseerd door navenant hoge verliezen in de particuliere sector. Aan de andere kant zullen de particuliere verliezen in ieder geval aanzienlijk groter zijn dan de staatscompensatie of hulpgeld betaald als verloren subsidies.

bb) Leven en gezondheid van mensen in Duitsland

(1) de toename van huiselijk geweld tegen kinderen en vrouwen

(2) Toename van depressie als gevolg van sociaal isolement

(3) Angstpsychosen / angststoornissen als gevolg van coronavrees

(4) andere psychische stoornissen / nerveuze overbelasting als gevolg van familie- / persoonlijke / professionele problemen als gevolg van de lockdown

(5) Toename van zelfmoorden, bijvoorbeeld als gevolg van werkloosheid of faillissement (6) Gezondheidsschade door gebrek aan lichaamsbeweging

(7) Weglaten van operaties en intramurale behandeling omdat ziekenhuisbedden zijn gereserveerd voor coronapatiënten

(8) Zich onthouden van operaties, intramurale behandelingen, doktersbezoeken omdat patiënten bang zijn voor infectie met Covid-19

Deze consequenties hadden in ieder geval globaal moeten worden ingeschat vóór het besluit over de lockdown. Voor de evenredigheidstoets is het in het onderhavige geval voldoende als individuele hoogtepunten ter verklaring worden geworpen:

Met betrekking tot (1): voor Berlijn meldde de Senaatsafdeling een toename van kindermishandeling met 23% in de eerste helft van 2020 (geweld escaleert steeds vaker in Berlijn. Der Tagesspiegel van 2 juli 2020.

Ongeveer 3 procent van de vrouwen in Duitsland was het slachtoffer van fysiek geweld thuis tijdens de lockdown in het voorjaar, 3,6 procent werd verkracht door hun partner en kinderen werden in 6,5 procent van alle huishoudens gewelddadig gestraft.

Ad (5): Het aantal zelfmoorden dat statistisch wordt geregistreerd in Duitsland is nog niet beschikbaar voor 2020, maar het volgende bericht van de Berlijnse Senaatsadministratie voor Binnenlandse Zaken geeft een indicatie van een mogelijk aanzienlijke toename van het aantal zelfmoorden: tot oktober Berlijnse brandweer onder het trefwoord “Bijna wurgen / hangen, nu wakker met ademhalingsmoeilijkheden” 294 missies, in 2018 waren er slechts zeven en in 2019 slechts drie van dergelijke missies (mogelijke zelfmoord: aantal reddingsmissies neemt enorm toe. Berliner Zeitung vanaf 10 november 2020.

Aan (7): Tijdens de lockdown in het voorjaar werden in Duitsland meer dan 908.000 operaties geannuleerd, niet alleen zogenaamde electieve operaties zoals de implantatie van knie- en heupgewrichtsprothesen, kniegewrichtartroscopie, cataractoperaties enz., Maar ook 52.000 kankeroperaties -Operationen (In Duitsland zijn bijna een miljoen operaties geannuleerd. WELT van 29 mei 2020.

Aan (8): In een studie van de Hochrhein Waldshut-Tiengen Clinic (Kortüm, corona-onafhankelijke oversterfte als gevolg van verminderd gebruik van medische noodhulp in de coronapandemie: een populatie-gebaseerde observatiestudie werd de oversterfte in het district Waldshut (170.000 inwoners) in april 2020 onderzocht. Van 2016 tot 2019 stierven daar in april gemiddeld 165 mensen; in 2020 waren dat er 227, wat overeenkomt met een oversterfte van 37 procent. Van de 62 extra sterfgevallen konden er slechts 34 in verband worden gebracht met Corona en dus was 45% van de extra sterfte te wijten aan andere doodsoorzaken. De auteurs van het onderzoek schrijven deze gevallen toe aan het verminderde gebruik van medische noodvoorzieningen, wat ook wordt ondersteund door het feit dat meer dan twee keer zoveel mensen alleen dood thuis werden aangetroffen dan het vergelijkende gemiddelde. Er zijn geen vergelijkbare onderzoeken voor andere regio’s in Duitsland. Wel toonde een vergelijking van het aantal doden in Duitsland in een bepaalde periode aan, dat van het aantal mensen dat stierf met of aan het SARS-CoV-2-virus slechts 51,1% van de oversterfte te wijten was. Dit betekent niet dat alle andere sterfgevallen door oversterfte als bijkomende schade uit de lockdown kunnen worden gerekend, met name de hoge oversterfte in de 33ste kalenderweek is waarschijnlijk te wijten aan een hittegolf. Desalniettemin geven deze cijfers een duidelijke indicatie van sterfgevallen die terug te voeren zijn op het niet of te laat gebruiken van medische zorg uit angst voor coronabesmettingen.

cc) immateriële schade

(1) Verlies van onderwijs en verslechtering van de psychosociale ontwikkeling van kinderen als gevolg van de afwezigheid of beperking van schoollessen of de sluiting van andere onderwijsinstellingen

(2) Verlies van culturele prikkels / ervaringen als gevolg van de sluiting van theaters, concert- of operahuizen en vele andere culturele instellingen

(3) Verlies van muzikale ontwikkelingsmogelijkheden door verboden die het samen musiceren in orkesten of koren verhinderen

(4) Verlies van gemeenschapservaringen / persoonlijke sociale saamhorigheid door het verbod op bijeenkomsten in clubs, het verbod op evenementen, het verbieden van bijeenkomsten, het sluiten van pubs, enz.

(5) Beperking van kansen voor sociale ontwikkeling voor kinderen door kleuterscholen te sluiten

(6) Isolatie van kinderen in huizen die geen contact hebben met andere kinderen door scholen, kleuterscholen en speelplaatsen te sluiten

(1) De school is niet alleen een plek om kennis over te dragen, maar ook een plek voor sociaal leren. Door de sluiting van scholen is sociaal leren praktisch niet meer beschikbaar en wordt het isolement van kinderen en jongeren aangemoedigd. Thuisonderwijs kan niet worden gegeven door ouders in een migranten- of lager opgeleide omgeving. De sociale verdeeldheid van de samenleving wordt daardoor geïntensiveerd. Ook het leren van de Duitse taal door kinderen uit migrantengezinnen wordt enorm verstoord. Er zijn nu een groot aantal rapporten uit de praktijk over deze problemen.

dd) vervolgkosten

(1) Corona-steun verleend door de federale en deelstaatregeringen aan economische entiteiten

(2) Fiscale verliezen als gevolg van de beperking van de economische activiteit door de lockdown

(3) Uitkeringen voor arbeidstijdverkorting en werkloosheidsuitkeringen die moesten worden betaald als gevolg van de lockdown

(4) Sociale bijstand voor mensen die afhankelijk zijn van sociale bijstand als gevolg van de lockdown

Alleen al het ‘Corona-beschermingsschild’, een wetgevingspakket dat op 27 maart 2020 werd aangenomen, had een omvang van 1.173 biljoen euro (353,3 miljard euro aan hulp, 819,7 miljard euro aan garanties. De laatste federale begrotingen hadden een omvang van 356,4 miljard euro). Miljarden euro (2019) en 346,6 miljard euro (2018) Zelfs als de gegeven garanties niet per se “verloren” gaan, zullen de lasten waarschijnlijk meerdere federale begrotingen beslaan (Murswiek, op. Cit., P. 38).

ee) gezondheidsschade en economische schade in landen in het zuiden van de wereld

De lente-lockdown in Thüringen maakte deel uit van een lockdown die bestond uit 16 lockdowns van de deelstaten, die Duitsland omvatte en die op zijn beurt moet worden gezien in verband met het lockdown-beleid in bijna alle landen in de westerse wereld. Het is daarom gerechtvaardigd en noodzakelijk om te vragen naar de effecten van dit beleid op de ontwikkelingslanden. De nevenschade die al is opgetreden of nog te verwachten is, is enorm. De redenen hiervoor zijn de onderbreking van anti-tuberculoseprogramma’s, de onderbreking van vaccinatieprogramma’s tegen kinderziekten, onderbrekingen in de voedselvoorziening door het uiteenvallen van toeleveringsketens, enz. De VN verwacht dat in het eerste jaar van de pandemie meer dan 10.000 kinderen per maand zullen verhongeren. Volgens de federale minister van Ontwikkelingssamenwerking Müller worden alleen al in Afrika 400.000 slachtoffers van malaria en hiv en een half miljoen tuberculose-sterfgevallen als gevolg van de lockdown verwacht. Volgens een artikel van John Ioannidis (Wereldwijd perspectief van COVID-19-epidemiologie voor een pandemie met een volledige cyclus) wordt gevreesd voor 1,4 miljoen extra sterfgevallen als gevolg van tuberculose in de komende 5 jaar. Op de lange termijn zal de oversterfte als gevolg van de maatregelen waarschijnlijk aanzienlijk hoger zijn dan het aantal COVID-19-sterfgevallen.

Aangezien het lockdown-beleid in Thüringen deel uitmaakt van een lockdown-beleid dat bijna alle westerse geïndustrialiseerde landen treft – zij het een zeer kleine natuurlijk – is deze schade, voor zover deze niet het gevolg is van politieke beslissingen waarvoor de betrokken staten verantwoordelijk zijn, een indirect gevolg van de Lockdowns in de geïndustrialiseerde landen. Deze zijn ook proportioneel aan haar toe te schrijven en daarom over het algemeen meegenomen in de evenredigheidstoets.

d. Dat gezegd hebbende, lijdt het geen twijfel dat het aantal doden dat alleen al door lockdown-beleidsmaatregelen wordt veroorzaakt, vele malen hoger is dan het aantal doden dat door lockdown wordt voorkomen. Alleen al om deze reden voldoen de hier te beoordelen normen niet aan het vereiste van evenredigheid. Daarbij komen nog de directe en indirecte vrijheidsbeperkingen, de gigantische financiële schade, de enorme gezondheidsschade en het ideaal. Het woord ‘onevenredig’ is te kleurloos om zelfs maar de afmetingen van wat er gebeurt te suggereren. Het lockdown-beleid van de deelstaatregering in het voorjaar (en nu weer), waarvan het algemene contactverbod een essentieel onderdeel was (en is), is een catastrofale verkeerde politieke beslissing met dramatische gevolgen voor bijna alle aspecten van het leven van mensen, voor de samenleving, voor de staat en voor de ontwikkelingslanden.