Media en wetenschap: De grote viering van onwetendheid is een vorm van duivelse decadentie

Mijn vader was een wetenschapper, hij wist alles over geofysica, de natuurkundige verschijnselen die zich voordoen onder het aardoppervlak. Boven het aardoppervlak was hij een man in een pak op een kantoor – eerst bij Shell later bij andere oliemaatschappijen. Hij hoorde daar helemaal niet thuis, maar het waren de jaren tachtig en negentig en ‘je passie vinden’ was niet aan de orde. Hij bedacht steeds betere modellen om seismische golven of snelheden (dat weet ik niet precies) te meten. En daarmee vindplaatsen voor aardolie. Mijn vader had niets met het bovenaardse, vandaar misschien het onderaardse, maar ook daar was de zoektocht nooit af. Hij was de man uit ‘Nooit meer slapen’ van W.F. Hermans, die de Noorse kust afstroopt voor oude stenen. En hij had ook iets van de flair van Richard Feynman, die hij bewonderde. Hij had het mooi gevonden als ik dat had gezegd. 

Hij had zoals zoveel wetenschappers een liefdesaffaire met de wetenschap. Niet met zijn eigen expertise zozeer, dat waren maar lijntjes op een scherm, maar vanwege wat wetenschap intrinsiek is: het vertellen aan de wereld. Je diept op en draagt uit, en herhaalt dat. Wetenschap is meer dan belichaamde kennis, het is een manier van onophoudelijk denken.

Om die reden minacht ik de klimaatwetenschap die alles denkt te weten en niets heeft met denken. Er wordt meer dan ooit met computermodellen gewerkt (die je her en der dus best een beetje kunt aanpassen) en niet met observatie. Met valse, door ideologie en politiek besmette hypotheses in plaats van open vragen en ruimte voor discussie. ‘De klimaatwetenschap’ zegt bovendien geïnspireerd te zijn door kinderen met spandoeken, en verkneukelt zich als politici conclusies overnemen die miljarden kosten. Onlangs zag ik een wetenschapper in een commissie antwoorden op de vraag hoe zijn aanbevelingen betaald moesten gaan worden: “dat is niet mijn verantwoordelijkheid”. Dat alles is geen liefde maar prostitutie van de wetenschap. En de naïviteit erover is stuitend. Dat kennis in handen van grote multinationals en organisaties vooruitgang creëert maar ook een kwestie is van ruilhandel, geheimhouding en beurskoersen, is voor velen blijkbaar nog een raadsel, maar weet ik al mijn hele leven. De vercommercialisering en politisering van de waarheid heeft nu echter alle wetenschappelijk beginselen op lossen schroeven gezet.

Zo is het hele idee dat ’97 procent van alle wetenschappers het eens is’ over man made klimaatverandering per definitie een onwetenschappelijk standpunt. Want gesteld dat dat percentage klopt: wat als die drie procent gelijk heeft? (Dit uitleggen kost je 97 procent van je tijd, maar dat zij zo). Iédereen geloofde in de 16e eeuw in toverij, iedereen in sommige delen van de wereld nog steeds. Consensus is júist reden voor argwaan.

Beter kunnen we het hebben over het feit dat, nou ja laten we zeggen 97 procent van, al onze technologie en dataverkeer in handen is van een paar bedrijven. Dat Mark Zuckerberg en ene Jack bepalen wat wij wel en niet mogen zeggen en zien op internet. We kunnen als burgers niet eens aantekeningen met elkaar vergelijken, maar toch moeten we er blind op vertrouwen dat de (complexe) informatie die ons bereikt, klopt? Dat die voortkomt uit de liefde van wetenschappers om de wereld te vertellen hoe het zit? 

Stelletje waardeloze vertellers zijn het op zijn minst. Want wat opvalt is dat de meeste politici, of überhaupt mensen in publieke functies, de issues niet eens kunnen bevatten en navertellen. Ze weten niet welke vragen ze aan autoriteiten moeten stellen, waar de mogelijke hiaten en de gaten in de theorieën zitten. Ministers weten niet eens wat CO2 is! Of hoeveel er ongeveer van in de lucht zit. Dát doet ‘consensus’ met de omgeving

Wij, met hen, zijn horoscoop lezers geworden, glazenbol kijkers en morele zeloten die de moraal als liaan gebruiken om van de ene feitenvrije vluchtheuvel naar de andere te komen. ‘Nog 12 jaar de tijd’, ‘zeeleeuwen plegen uit klimaatpaniek zelfmoord’, ‘een kinderloos bestaan voor het milieu’. Alles kan niet gek, absurd en onwaarschijnlijk genoeg, zolang maar aan een verwachtingspatroon wordt voldaan. En dat is dat de overheid ons Waarschuwt.

Onze academische instituten, die aan zet zijn, hebben hun kritische vermogen verloren. Ze kunnen simpelweg geen onderscheid meer maken tussen wat goed voelt en wat waar is. Zo glijden we allemaal langzaamaan terug in bijgeloof en massahysterie. En deze algehele debilisering van de westerse samenleving en het vieren van onwetendheid zien we nog het beste terug in het media-aanbod, waarin twintigjarige links-activisten wordt gevraagd naar de houdbaarheid van Forum voor Democratie en gesubsidieerde zwarte Piet haters naar hun mening over racisme in Nederland. Hoe niksiger de opinie hoe voorspelbaarder de dag, die zo constant overschaduwd kan worden door de grote verhalen die voor ons geschreven worden – en dus niet met liefde verteld.