De betekenis van semantiek

Laura Slot

2 mei 2024

Om te ontdekken wat betekenisvol is, is het soms voldoende om te ontdekken wat betekenisloos is. In het publieke debat is het achteloze gebruik van woorden even populair als dat het problematisch is, doordat woorden betekenisloos raken. Taalkundige Noam Chomsky (1928) zei dat elke machthebber die zijn macht wil vergroten als eerste het debat wil versmallen. Dit gebeurt primair door semantiek en het promoten van foutief en vaag woordgebruik. Taal kan ons dichter bij de realiteit brengen maar het kan ons er ook verder vandaan brengen. De informatie-oorlog verhoogt het risico op dat laatste, maar mede dankzij waarschuwingen uit het verleden kunnen we het matigen.

In 1985 schreef de Amerikaanse schrijver William S. Burroughs (1914-1997) een essay getiteld “Who Did What Where and When?” (Wie deed wat waar en wanneer?) Hij beargumenteerde dat het schrijven of uitspreken van woorden zonder specifiek te zijn niet alleen betekenisloos is maar ook schadelijk, omdat het misverstanden, nodeloze discussies en een vertekend wereldbeeld creëert.

“Journalisten vroegen mij of ik vond dat de mensen aan het verschuiven waren naar rechts. Welke mensen? Boeren? Boekenclub-vrouwen aan de Oostkust? Studenten? Achterbuurtbewoners?”

Burroughs was het eens met Alfred Korzybski (1879-1950), grondlegger van de Algemene Semantiek, dat elk woord dat voor meer dan één interpretatie vatbaar is met de uiterste zorg toegepast zou moeten worden. Korzybski’s boek Science and Sanity uit 1933 legt dit in detail uit, en Burroughs wenste dat het verplicht leesmateriaal zou zijn, met name voor voor journalisten en wetenschappers.

Terwijl Burroughs en Korzybski ons respectievelijk 40 en 90 jaar geleden waarschuwden, zijn we nu nog vele malen slechter af, niet alleen omdat we te koppig waren om te luisteren maar ook vanwege moderne technologie. Tegenwoordig passen de beheerders van online woordenboeken en zoekmachines definities aan wanneer zij dat willen. Jacob Siegel in Tablet Magazine omschreef dat de informatie-oorlog een poging is om de realiteit te veranderen. Dit begint met het veranderen van perceptie, en dat begint met het veranderen van definities. Om definities te kunnen veranderen wordt achteloosheid en relativisme gepopulariseerd. Terwijl de hoofdredactrice van NPR en het voormalig hoofd van Wikipedia, Katherine Maher, predikt dat waarheid en realiteit relatief zijn en dat we er daarom niet al te nieuwsgierig naar hoeven te zijn, zijn propagandisten in een race tegen te klok verzeild om de definities van ‘deep state’ en ‘ruling class’ (heersende klasse) weer onder hun controle te krijgen, zo constateerde Siegel.

Vage, abstracte bewoordingen saboteren het publieke debat, en qua onderwerpen is ideologie met name riskant. Social media staat vol met posts over ‘ismen’ waar vrijwel elk individu een andere definitie van heeft. Neem nu het boek van schrijver William Pfaff, dat gaat over socialisme, anarchisme, communisme, fascisme en utopisme. Voor elke term was hij genoodzaakt om specifiek toe te lichten wie, wat en wanneer hij bedoelde, en dat alles met het risico om de perceptie-bubbels van zijn lezer te doorboren:

“Het is niet in zwang om dit te benoemen tegenwoordig, maar het Fascisme, voor de Fascisten, was een progressief ideaal.”

-William Pfaff, The Bullets Song: Romantic Violence and Utopia, Simon & Schuster, New York, 2005.

Pfaff’s boek laat zien dat de geschiedenis van ideologie bepaald geen eenvoudige geschiedenis is om te beschrijven. Wie deed wat waar en wanneer?

Voor semantiek biedt de technologie vooral negatieve risico’s en relatief weinig positiefs. Door achteloos woordgebruik online ontstaan krachtige misleidingen, met het effect van Matroesjka-poppen: Woorden zijn een symbolische laag op de realiteit, deze gaan vervolgens via de computer het Internet op, een tweede realiteit, daarna gaan ze een sociaal netwerk in, een derde laag. Sociale netwerken zijn daarom geen plaats voor debat, en Burroughs en Korzybski legden uit waarom lang voordat de Big Tech monopolies aan het publiek waren opgedrongen.

Het is door niet-zo-intelligent ontwerp dat het publieke debat ons wegleidt van de realiteit en dit wordt, volgens Burroughs, vervolgens aangewakkerd door de drang van het menselijke ego om discussies te winnen en gelijk te krijgen:

“Mijn overtuiging is dat het kwaad vrij letterlijk is als een virale parasiet genesteld in een deel van de hersenen wat we de Gelijk Kwab noemen. Het kenmerk van een simpele klojo is dat hij altijd gelijk moet hebben. (…) Van de Inquisitie tot de Conquistadoren, van de Amerikaans-Indiaanse oorlogen tot Hiroshima hebben zij GELIJK GELIJK GELIJK.”

-William S. Burroughs, “My Own Business” in: The Adding Machine, Seaver Books, New York, 1985.

In een grappige korte video heeft Jordan Peterson het over het probleem van de grote ego’s die taal misbruiken.

Terwijl hij wellicht ietwat overdrijft door een vooraf bepaalde definitie te eisen van het werkwoord ‘doen’, is het punt dat hij maakt exact hetzelfde als dat van Burroughs en Korzybski: We moeten weten waar we het over hebben, voordat we het erover hebben.

Dit artikel verscheen in het Engels op Old Revolutions