Schrijver Douglas Murray over de destructiedrift achter identiteitspolitiek: ‘Het is fraude op grote schaal’

‘Genade!’ Veel meer kon ik niet uitbrengen na twee dagen lezen in het afgelopen week verschenen en nu al bejubelde boek van de Britse journalist en schrijver Douglas Murray: The Madness of Crowds: Gender, Race and Identity. In zijn show, don’t tell uiteenzetting van het mainstream geworden Social Justice activisme, waarin de alomvattende ‘matrix van onderdrukking’ velen in een staat van gekte, opwinding en wanhoop hebben gebracht wordt nergens de ‘madness’ als zodanig beschreven.

De blote feiten over de koers van het feminisme (‘women are not equal to men, but better’), de hypocriete en door Hollywood geregeerde MeToo-beweging, de LGBTQ-alfabetisering van identiteiten, de anti-racisme beweging (‘which now means having to be racist yourself’) en andere bewegingen die het ‘witte partriarchaat’ willen ontvlechten spreken voor zich. Ze zijn allemaal op weg naar een nieuwe, utopische realiteit, zoveel is duidelijk.

Murray: “Het is alleen niet duidelijk en niemand denkt er hardop over na wat die nieuwe realiteit dan zou moeten zijn, een toestand van totale en complete rechtvaardigheid?”

De waanzin die omstanders al jaren vanuit de verte konden zien en ruiken rijst nu op uit de pagina’s als rook uit een brandend huis. En ook al zijn er nog geen brandweermannen in zicht, met dit boek is het alarmnummer tenminste wel gebeld. De enige geestelijke verlichting in het boek dat zo pijnlijk onze huidige morele en culturele armoede aanwijst, is de lichte schrijftred en Britse humor van Murray, die bovendien een goede popsong herkent als hij hem hoort en ziet. Zoals die van Nicki Minaj:

Oh my gosh, look at her butt

Oh my gosh, look at her butt

Oh my gosh, look at her butt

(Look at her butt)

Look at, look at, look at

Look, at her butt

Dit nummer met bijbehorende videoclip wordt uitgebreid besproken in het boek en is tevens het openingscitaat in het boek dat twee jaar na zijn bestseller The Strange Death of Europe (in het Nederlands vertaald als Het opmerkelijke einde van Europa) verschijnt.

Murray gaat nergens in op de relatie tussen het eerste boek – dat vooral over immigratie, islam en de EU ging – en de huidige gekte in onze Westerse cultuur als gevolg van ‘crowd derangement’. In samenhang beschouwd is het evenwel duidelijk dat we tijdens dat vreemde ‘overlijden’ van Europa ook nog in een staat van gekte zijn beland waarin er dwars door onze cultuur heen tal van ‘struikeldraden’ zijn gespannen in het niemandsland van onze huidige mores.

Wat je gisteren nog mocht zeggen is nu verboden

Murray: “Of ze nou geplaatst zijn door individuen, collectieven of een goddelijke satiricus, ze wachten op de een na de ander die zich ongewillig laat struikelen. Sommigen worden meteen opgeblazen, anderen lopen met hun volle verstand het niemandsland in. Na elke ontploffing is er een kort moment van evaluatie waarna iedereen de draad weer oppakt.”

Oftewel, de sociale regels zijn volstrekt onduidelijk geworden, beklemmend en genadeloos. Wat in het tijdsbestek van slechts een aantal jaren duidelijk is geworden is dat alles wat met homoseksualiteit te maken heeft, vrouwenrechten, racisme en meer recentelijk transgenderrechten – allemaal onder de noemer ‘diversiteit’ en ‘inclusiviteit’ – voor een groot deel onze gehele moraal is gaan bepalen, schrijft Murray. En die moraal wordt met de minuut ge-update, want wat je gisteren nog mocht zeggen (‘mannen en vrouwen verschillen biologisch’, ‘kinderen moet je geen hormoonremmers geven’) is morgen een ‘homofobe’, ‘transfobe’ of ‘seksistische’ opmerking, die je je baan kan kosten. Voorbeelden daarvan zoals de Britse Nobelprijswinnaar Tim Hunt, die zijn laatste grapje maakte als professor in functie over “mannen en vrouwen die maar verliefd op elkaar worden in het laboratorium”, en de Amerikaanse bioloog Bret Weinstein, die weigerde te vertrekken op een verplichte ‘dag van afwezigheid’ voor blanke mensen op de universiteit waar hij werkte. volgen elkaar in het boek in rap tempo op.

Murray benoemt ook de plotselinge koersverandering van mainstream kranten, zoals de New York Times, die sinds een jaar of vijf artikelen publiceren met koppen als ‘is het okee als mijn kinderen met witte mensen omgaan?’ En zelfs in het ‘business’-katern van de krant gaat het bijvoorbeeld over homoseksualiteit op de Japanse werkvloer en over de ‘te heteroseksuele wereld van het ballet’. In The Guardian las hij het artikel Roads designed by men are killing women. Het houdt niet op, niet vanzelf:

“There is nothing wrong with a newspaper of record deciding to devote its Business and Culture pages as well as much of its opinion and news pages to stories about being gay. But it sometimes feels as though there is something else going on in all this. The use of gay special interest stories for purposes other than those of actual news: perhaps making up for lost time, or perhaps just rubbing things in the faces of those not yet up to speed with the changed mores of the age. Either way something strange and vaguely retributive is in the air.”

Losgebroken marxisme

Het is vanwege de onderkoelde, fijnzinnige stijl van Murray moeilijk tijdens het lezen af toe een een harde lach te onderdrukken. De absurditeit van wat hij het “uit de universiteiten losgebroken marxisme” noemt, en wat zich via de media, Hollywood, popmuziek, politiek en culturele podia manifesteert is gewoon té makkelijk te demonstreren, zo lijkt het. En het is precies die absurditeit die voor het oprapen ligt, waardoor hij tot zijn conclusie van de ‘madness of crowds‘ komt”

“LGBT is now one of the groupings which mainstream politicians routinely speak about – and to – as if they actually exist like a racial or religious community. It is a form of absurdity. For even on its own terms this composition is wildly unsustainable and contradictory. Gay men and gay women have almost nothing in common.

The Hegelian dialectic only advances by means of contradiction and therefore all the complexities – one might say absurdities – met along the way are welcomed and almost embraced as though they were helpful, rather than troubling, to the cause. Anybody hoping that intersectionality would dissolve amid its own inherent contradictions cannot have seen the myriad of contradictions a Marxist can hold in their head at any one time. Their ideological children in identity politics and intersectionality seem content to inhabit an ideological space littered with contradiction, absurdity and hypocrisy.”

En hier wringt er wel iets in zijn betoog over de met name verwarde toestand van marxisten en hun ideologische kinderen, want er zijn dan wel veel overeenkomsten met de bizarre gekte die Murray vond in ‘Extraordinary Popular Delusions and the Madness of Crowds‘ van de Schotse journalist Charles Mackay in 1841, het politieke gedeelte van de gehekelde identiteitspolitiek blijft onderbelicht in het boek.

Terwijl zich de afgelopen jaren toch ook een duidelijke tegenbeweging heeft afgetekend die in de strijd voor het behoud van nationale indentiteit de nadelen van doorgeschoten liberalisme aan de kaak stelt (zoals open grenzen, soevereiniteitsoverdracht aan de EU, en dus alle ‘gendergaga’ zoals het in Duitsland wordt genoemd) rept Murray met geen woord over die beweging. Het lijkt zo in zekere zin alsof iedereen door de ‘gekte’ is bevangen en er niet zo veel aan te doen is. Je kunt zelfs maar beter niet teveel betekenis hechten aan de politiek, schrijft hij ook.

Verstandige conservatief die oproept tot vergeving

Hij roept op tot een meer vergevende houding in een ‘geest van generositeit’ – waarin we elkaar niet om het minste of geringste aanvallen. We moeten ons leven ‘depolitiseren’, zegt hij aan het einde. Murray reduceert het politieke krachtenveld daarmee tot slechts een oorzaak van het probleem van progressief linkse identiteitspolitiek in media, cultuur en kunst in plaats van, of óók, als een mogelijke oplossing.

“One of the ways to distance ourselves from the madnesses of our times is to retain an interest in politics but not to rely on it as a source of meaning.”

In Hongarije, Polen, Italië, bepaalde delen van Duitsland en Frankrijk hebben populisten een groeiende aanhang die nou juist wel betekenis ontlenen aan een alternatieve politieke koers en in sommige gevallen hun leven wagen om de uitwassen van het liberalisme te stoppen. Dat is misschien geen rechtstreeks antwoord op de ‘gek geworden’ identiteitsbewegingen zoals door Murray beschreven, maar ze zijn wel de enige reëele vijand van die bewegingen. In alle opzichten. Een anti-abortus demonstratie afgelopen week in Berlijn werd bijvoorbeeld met veel agressie begroet door vrouwenrechten-activisten (voornamelijk Antifa-mannen). Een spreker die ‘voor de waarde van het leven sprak’ werd bijna van een podium getrokken door een activist die zo in het boek van Murray had kunnen figureren. Moet je die anti-abortus beweging dan maar ‘de-politiseren’ en achter gesloten deuren houden?

Oftewel, wie moet er beginnen met genereus zijn of oproepen tot vergeven als de kern van identiteitspolitiek nou juist het zoeken van verdeeldheid en polarisatie is? Want dat heeft Murray overtuigend vastgesteld.

Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat Murray opzettelijk een deel van het verhaal, waarin verschillende krachten tegenover elkaar staan, heeft weggelaten uit angst er een (te) politiek boek van te maken. Zijn grootste talenten zijn daarmee ook zijn handicap. Hij is namelijk een verstandige conservatief, die op bescheiden wijze ook maar gewoon de wereld aantreft zoals hij is, geen partij wil kiezen en niemand wil beïnvloeden met zijn eigen persoonlijke mening. Hij valt terug op het idee dat je in deze kwesties bij jezelf moet beginnen om de wereld beter te maken, en dat intolerantie met intolerantie beantwoorden niet het antwoord is. Dat siert hem en daardoor zal dit boek naar verwachting ook een groot bereik hebben, maar ze laat ook een leegte vallen.

Verbindende kracht

Door het nadrukkelijk niet benoemen van bestaande, reëele opponenten die zich niet bedienen van de taal van de ‘gekken’ die alles alleen nog maar in termen van ‘macht’, ‘privileges’ en ‘huidskleur’ zien miskent hij misschien dat de genezing ook kan liggen in het revitaliseren van het alternatief: de gemeenschap als op zichzelf staande eenheid, waarin familiewaarden, liefde, liefdadigheid, ondernemingszin en volharding weer de ruimte krijgen in plaats van als ‘nazistisch’ worden bestempeld, alleen maar omdat het ‘niet progressief genoeg’ is. Een vergevende houding is belangrijk, maar niet effectief tegenover mensen die deze houding nooit zullen innemen.

Maar goed, dit puntje van kritiek weet Murray met zijn verbindende kracht wel redelijk goed te maken, bijvoorbeeld door heel liefdevol ‘MLK’ van de Social Justice Warriors af te pakken en terug te geven aan de kleurenblinden.

“Perhaps we should return to Martin Luther King’s vision. Perhaps we could aim to take race out of every and any debate and discussion and turn our increasing clout obsession back into an aspiration for colourblindness.”

Het zou heerlijk zijn als die weg weer teruggevonden werd.